Nieuws
Achtergrond
Opmerkelijk
Gesponsorde links
Hypotheek en Lenen
Windows Live Alerts
Woordenboek
Alle veelgebruikte termen op een rij
Afsluitkosten:
Een eenmalig bedrag dat je betaalt aan de geldgever voor het afsluiten van de hypotheek. Het gaat eigenlijk altijd om een percentage van het geleende bedrag, de zogenoemde afsluitprovisie. Die provisie is meestal 1%, maar je kunt hierover onderhandelen.
Boeterente:
De 'straf' die je krijgt als je een lening eerder aflost dan afgesproken, bijvoorbeeld omdat je overstapt naar een andere hypotheek (zie: oversluiten). Dat kost je oude hypotheekgever geld, want hij loopt toekomstige rente-inkomsten mis. En daar laat hij je voor betalen. Als vuistregel geldt: hoe eerder je aflost en hoe hoger je hypotheek, hoe meer boetrente je moet betalen. Je kunt boeterente overigens aftrekken van de belasting, net als je gewone hypotheekrente.
Boetevrije aflossing:
Het bedrag dat je jaarlijks op je hypotheek mag aflossen zonder dat je boeterente hoeft te betalen. Dit spreek je af bij het afsluiten van de hypotheek en moet in de hypotheekovereenkomst staan. Meestal is het zo'n 10 tot 20% van het totale hypotheekbedrag.
Bouwrente:
Het totaal aan rente dat je als koper van een nieuwbouwwoning tijdens de bouw van het huis moet betalen aan de bouwer en de geldgever.
Dagrente:
De rente die je moet betalen als je vandaag een nieuwe hypotheek afsluit.
Effectenhypotheek:
Een soort beleggingshypotheek. Het grote verschil is dat je helemaal zelf bepaalt hoe je belegt. Je moet dus verstand van beleggen hebben.
Effectieve rente:
De rente die je iedere maand daadwerkelijk betaalt. Bij de berekening van de effectieve rente worden ook de afsluitkosten meegenomen. Zie ook: nominale rente.
Eigen middelen:
Als je eigen geld hebt, kun je een lagere hypotheek afsluiten. Je kunt dan immers een deel van de kosten uit eigen zak betalen.
Executiewaarde:
De prijs die een huis zou opbrengen bij een gedwongen verkoop, ook wel executieverkoop genoemd. Meestal wordt uitgegaan van 80 tot 85% van wat een woning in de vrije verkoop zou opbrengen. Bij nieuwbouwhuizen wordt vaak 90% van de koopsom genomen. Heb je een hypotheek zonder Nationale Hypotheek Garantie, dan is de executiewaarde het uitgangspunt voor de hypotheek. Meestal kun je niet meer lenen dan 125% van de executiewaarde.
Geldnemer:
Iemand die geld leent (een hypotheek neemt) om een woning te kunnen kopen. Zie ook: hypotheekgever.
Geldgever:
De instelling die geld uitleent (een hypotheek verstrekt) aan iemand om een huis te kopen. Zie ook: hypotheeknemer.
Hoofdsom:
Het bedrag waarvoor je een hypotheek hebt afgesloten.
Huurbeding:
Een verbod van je hypotheekverstrekker om het huis waarop de hypotheek betrekking heeft, te verhuren.
Hypotheekakte: De door een notaris opgestelde hypotheekovereenkomst tussen jou en de hypotheekverstrekker. Hierin zijn de voorwaarden van de lening vastgelegd.
Hypotheekgever:
Iemand die zijn huis in onderpand geeft in ruil voor een (hypotheek)lening. Zie ook: geldnemer.
Hypotheeknemer:
De instelling die een woning als onderpand aanneemt voor een (hypotheek)lening. Zie ook: geldgever.
Instaprente:
Een vaste rente met een korte looptijd die wordt aangeboden als je een hypotheek afsluit. Dit product wordt ook wel opstaprente of startrente genoemd. Een instaprente is aantrekkelijk als je verwacht dat de rente verder gaat dalen. Dan kan je straks de hypotheek voor langere tijd vastzetten tegen een lagere rente.
Koopsom:
Het bedrag waarvoor je het huis koopt. Bij een nieuwbouwhuis wordt dit ook wel de aanneemsom genoemd.
Kosten koper:
Als je een bestaand huis koopt, betaal jij alle kosten die te maken hebben met de overdracht van de woning. Dit wordt 'kosten koper' genoemd, of simpelweg: k.k. Onder kosten koper vallen bijvoorbeeld de overdrachtsbelasting, afsluitprovisie, makelaarskosten, taxatiekosten en de kosten van de transportakte en hypotheekakte.
Het bedrag dat een makelaar voor zijn bemiddeling rekent als hij een huis weet te verkopen. Het gaat om een percentage van het aankoopbedrag, gemiddeld zo'n 2% bij de verkoop en 1,5% bij de aankoop van een huis.
Nominale rente:
De hypotheekrente die op jaarbasis is overeengekomen. In de praktijk betaal je de rente niet pas aan het eind van het jaar, maar betaal je iedere maand. Je betaalt dus eigenlijk vooruit. Daarom ligt de nominale rente lager dan wat je echt betaalt. Laat je niet in de luren leggen door een mooie nominale rente, maar kijk altijd naar de effectieve rente.
Notariskosten:
Het geld dat je aan de notaris moet betalen voor het opstellen en registreren van de officiële stukken die nodig zijn voor de eigendomsoverdracht van het huis (de transportakte) en het vastleggen van de hypotheeklening (de hypotheekakte). Voor de hypotheekakte zijn de kosten fiscaal aftrekbaar, voor de transportakte niet.
Oversluiten:
Het overstappen naar een nieuwe hypotheek, waarbij je de oude hypotheek vervroegd aflost. Je kunt de nieuwe hypotheek bij dezelfde geldgever afsluiten, maar ook bij een ander.
Overwaarde: Het verschil tussen hoeveel je huis op dit moment waard is en de hypotheekschuld die je nog hebt. Dat geld zit vast in je huis, maar je kunt het vrij maken door er een lening voor af te sluiten. Daarmee kun je een verbouwing of de aankoop van een (deel van een) nieuwe woning financieren. Maar je kunt het geld ook als aanvulling op je pensioen gebruiken of er een nieuwe auto van kopen.
Projecthypotheek:
Bij nieuwbouwprojecten bieden geldgevers soms een extra voordelige hypotheek aan, met lagere rente of afsluitkosten. Dat wordt een projecthypotheek genoemd. Bij renteherzieningen ben je je rentevoordeel weer kwijt.
Rentebedenktijd:
Soms heb je de mogelijkheid om in de laatste 1 of 2 jaar van je rentevaste periode de rente opnieuw vast te zetten. Die 1 of 2 jaar wordt rentebedenktijd genoemd. Het voordeel is dat je een gunstig moment kunt uitkiezen voor het vastzetten. Je bent dus niet afhankelijk van de rentestand op het moment dat je rentevaste periode afloopt. Het nadeel is dat bij een hypotheek met rentebedenktijd de rente meestal wat hoger ligt.
Rentevaste periode:
De periode waarover je de rente vast laat zetten. Hoe langer die periode, hoe meer zekerheid je hebt over je hypotheeklasten: je rente blijft tenslotte gelijk. Maar ook: hoe langer die periode, hoe hoger het rentepercentage. De rentevaste periode die je kunt kiezen kan variëren van 1 tot wel 30 jaar. Populair zijn periodes van 5 en 10 jaar.
Taxatiewaarde:
De verkoopwaarde van een huis, geschat door een taxateur. Op basis van zaken als grootte, locatie en staat van onderhoud van het huis bepaalt deze deskundige een prijs, die je terugvindt in zijn taxatierapport. Een taxatie is verplicht als je een hypotheek wilt nemen op een bestaand huis. Een nieuwbouwwoning hoef je meestal niet te laten taxeren.
Tophypotheek:
Een hypotheek voor een bedrag dat hoger ligt dan 75% van de executiewaarde van je huis. Om wat voor hypotheekvorm het gaat maakt verder niet uit. Een tophypotheek betekent meer risico voor de geldgever. Hij laat je daarom een hogere rente betalen. De extra rente die hij rekent, wordt ook wel topopslag genoemd. Als je voldoende hebt afgelost of je huis is genoeg in waarde gestegen, is je hypotheek automatisch geen tophypotheek meer. Meestal betekent dat niet dat je meteen ook geen topopslag meer hoeft te betalen. Daar moet je vaak zelf bij de bank om vragen en meestal wil die het tarief pas aanpassen aan het eind van een rentevaste periode.
Soms is het mogelijk bij het vaststellen van het maximale leenbedrag niet allen jouw inkomen, maar ook dat van je partner (gedeeltelijk) mee te laten tellen. Zo'n hypotheek, die dus is gebaseerd op twee (vaste) inkomens, wordt ook wel een tweeverdienershypotheek genoemd. Geldzaken Home > Hypotheken: Haal je er alles uit? >